Wet wegvervoer goederen.
Tweeten
Op 1 mei 2009 trad de nieuwe Wet wegvervoer goederen (WWG) in werking. Uitgangspunt van de nieuwe wet is dat niet meer geregeld wordt dan in Europa is voorgeschreven. De nieuwe wet kwam in de plaats van de Wet goederenvervoer over de weg (WGW). Deze wetgeving is van wezenlijk belang voor de eigen rijder. Doelstellingen van de nieuwe wet (WWG):
- Versobering van de regelgeving;
- De inschrijvingsplicht van het eigen vervoer wordt geschrapt;
- Vermindering van de administratieve lasten;
- Verbetering van de handhaafbaarheid van de regelgeving.
Inhoud van de nieuwe wet (WWG)
- Regels voor de toegang tot de markt van het binnenlands en het grensoverschrijdend beroepsvervoer en eigen vervoer in Nederland en het grensoverschrijdend beroepsvervoer dat door de in Nederland gevestigde vervoerders wordt verricht.
- Eisen voor de toegang tot het beroep van beroepsvervoerder voor in Nederland gevestigde vervoerders.
- Taken, inrichting en financiering van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).
- Regels voor het toezicht op de NIWO door de minister van Verkeer en Waterstaat.
- Toezicht op de naleving van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving van het bij krachtens de Wwg bepaalde.
- Intrekking van de Wgw met de bijbehorende overgangsbepalingen en met de benodigde aanpassing van andere wetten.
Belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de huidige wet (WWG)
- Aparte vergunning voor binnenlands vervoer vervalt
- De Eurovergunning geldt voor binnenlands en grensoverschrijdend vervoer
- Eis van kredietwaardigheid: minimum wordt verlaagd naar 9.000
- Eis van betrouwbaarheid: verklaring omtrent gedrag wordt vervangen door integriteitverklaring
- NIWO kan last onder dwangsom opleggen
- NIWO heeft vervoerenquête niet langer als wettelijke taak
- Inschrijvingsplicht eigen vervoer geschrapt
- Invoering van mede-aansprakelijkheid van anderen (bijv. verlader, afzender of expediteur) dan de vervoerder
Wat wijzigt er niet?
In het wetsvoorstel was voorgesteld om de vergunningplicht te laten gelden voor vrachtauto’s met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 3.500 kg in plaats van het toegestaan laadvermogen van 500 kg zoals dat onder de Wgw geldt. Daarnaast was voorgesteld om de eis van dienstbetrekking voor chauffeurs te laten vervallen. Deze voorstellen zijn echter verworpen.
- Ondergrens voor vergunningplicht blijft 500 kg laadvermogen voor binnenlands vervoer
- Eis van dienstbetrekking blijft gehandhaafd
- Vrachtbrief blijft verplicht
Veranderingen voor bedrijven / eigen rijder met een Eurovergunning
De Eurovergunning is vanaf datum inwerkingtreding nieuwe wet geldig voor zowel binnenlands als grensoverschrijdend vervoer. De binnenlandse vergunning van de ruim 10.000 bedrijven met een Eurovergunning vervalt, hetzelfde geldt voor de binnenlandse vergunningbewijzen op de voertuigen. Bedrijven die met een deel van hun wagenpark uitsluitend binnen Nederland rijden en voor dit deel alleen een binnenlands vergunningbewijs op het voertuig hebben liggen, kunnen tegen gereduceerd tarief de binnenlandse bewijzen omwisselen voor Eurovergunningbewijzen. Voor verlenging van de Eurovergunning zal onder de nieuwe wet een tarief gelden van 120. een Eurovergunning is vijf jaar geldig.
Overgangsregeling voor bedrijven / eigen rijder met uitsluitend een binnenlandse vergunning
Voor bedrijven die vòòr inwerkingtreding van de nieuwe wet uitsluitend over een binnenlandse vergunning beschikken geldt een overgangsregeling. Hun binnenlandse vergunning blijft geldig zolang het bedrijf dezelfde rechtsvorm houdt en de vakbekwame bestuurder van het bedrijf niet verandert. Zodra de vakbekwame bestuurder of de rechtsvorm verandert, dan moet er een Eurovergunning worden aangevraagd, waarvoor zowel het vakdiploma binnenland als het vakdiploma buitenland vereist is. Ongeveer 2.200 bedrijven gaan onder deze overgangsregeling vallen.
Verandering voor nieuwe transportbedrijven / eigen rijder
Om een bedrijf te beginnen in het beroepsgoederenvervoer over de weg, moet een vergunning aangevraagd worden bij de NIWO. Dat kan onder de nieuwe wet alleen een aanvraag voor een Eurovergunning zijn, waarmee zowel binnenlands als grensoverschrijdend vervoer gedaan mag worden. De bestuurder van de onderneming moet beschikken over het vakdiploma binnenland en het vakdiploma buitenland.
NIWO-vervoerenquête gaat over naar het CBS
De vervoerenquête is onder de nieuwe wet niet langer een wettelijke taak van de NIWO, de gegevensverzameling is niet opgenomen in de nieuwe wet (WWG). Dit betekent niet dat de vervoerenquête komt te vervallen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) neemt de vervoerenquête in zijn geheel over van de NIWO. Wel is met het CBS overeengekomen dat de NIWO nog enige tijd de afhandeling van de enquêtes, die in 2008 zijn uitgestuurd, gaat verzorgen.
Met ingang van statistiekjaar 2009 vraagt het CBS de gegevens uit bij de beroepsvervoerder. Het CBS doet dit op basis van de CBS-wet en Europese regelgeving. Deze regelgeving betreft de verplichting van elke lidstaat om communautaire vervoergegevens aan het Europese Bureau voor de Statistiek (Eurostat) door te geven. De oude wet verplichtte beroepsvervoerders gegevens over het verrichte vervoer te verstrekken aan de NIWO. De NIWO verzamelde deze gegevens via de zogenaamde vervoerenquête. Om de administratieve lasten te verlichten is de vervoerenquête in de afgelopen jaren al sterk vereenvoudigd. Verdere stappen ter vereenvoudiging en lastenverlichting hebben binnen het CBS de aandacht en zullen naar verwachting in 2009 worden gezet.
Eis van kredietwaardigheid
een van de drie kwalitatieve eisen om voor een Eurovergunning in aanmerking te komen is de kredietwaardigheid, de financiele draagkracht van het bedrijf. De nieuwe wet (WWG) sluit aan bij de Europese norm: 9.000 voor de eerste vrachtauto en 5.000 voor iedere volgende vrachtauto. In Nederland moet kapitaal aanwezig zijn in de vorm van eigen vermogen en/of een achtergestelde lening. Dit moet aangetoond worden met een accountantsverklaring. De nieuwe wet (WWG) staat bij verlenging van de vergunning ook andere verklaringen dan een accountantsverklaring toe als bewijs van kredietwaardigheid. De NIWO bepaalt nog welke andere verklaringen dat zullen zijn.
Eis van betrouwbaarheid
een van de drie kwalitatieve eisen om voor een Eurovergunning in aanmerking te komen is de betrouwbaarheid van de bestuurder(s) van het bedrijf. Onder de nieuwe wet (WWG) geeft de integriteitverklaring invulling aan de eis van betrouwbaarheid. Niet alleen bij de aanvraag van de vergunning en bij de verlenging van de vergunning om de vijf jaar moet een integriteitverklaring worden overgelegd, maar de NIWO kan ook tussentijds bij twijfel over de betrouwbaarheid van een onderneming een integriteitverklaring opvragen. De integriteitverklaring moet worden ingeleverd door de natuurlijke persoon die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden of door de rechtspersoon/vergunninghouder. De integriteitverklaring komt grotendeels overeen met de verklaring omtrent het gedrag (vog), die onder de oude wet invulling aan deze eis gaf. De verklaring wordt afgegeven door de Minister van Justitie (Covog). Verschil met de vog is dat bij de integriteitverklaring naast de veroordelingen voor strafbare feiten en overtredingen van de vervoerwetgeving ook gekeken wordt naar vonnissen van de burgerlijke rechter wegens overtreding van de CAO-bepalingen. Covog bepaalt aan de hand van een screeningsprofiel of de ondernemer in aanmerking komt voor een integriteitverklaring.
Eis van vakbekwaamheid
een van de drie kwalitatieve eisen om voor een vergunning in aanmerking te komen is de vakbekwaamheid van de bestuurder(s) van het bedrijf. Onder de nieuwe wet (WWG) kan dat alleen een aanvraag voor een Eurovergunning zijn. De bestuurder van de onderneming moet beschikken over het vakdiploma binnenland En het vakdiploma buitenland. Meer informatie over het examen voor het vakdiploma kunt u krijgen bij CCV Ondernemersexamens via telefoonnummer 070 - 372 07 80 of per faxbericht 070 – 372 07 99 of via internet: www.ccv-examenhuis.nl.
Last onder dwangsom
In de nieuwe wet (WWG) is bepaald dat de vervoerder een vervallen of ingetrokken vergunning binnen een week na de vervaldatum of de intrekking moet inleveren bij de NIWO. Hetzelfde geldt voor de op basis van de vergunning afgegeven vergunningbewijzen. De NIWO kan een last onder dwangsom opleggen als niet aan deze verplichting wordt voldaan. Kort gezegd komt een last onder dwangsom erop neer, dat de vervoerder aan de NIWO een bepaald bedrag verschuldigd wordt zolang of zo dikwijls hij niet voldoet aan de verplichting om de vergunning en bewijzen te retourneren. Er zal met terughoudendheid gebruik worden gemaakt van dit instrument. Alleen als er aanwijzingen zijn dat de vergunningbewijzen worden misbruikt, zal worden overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom.
Inschrijvingsplicht eigen vervoer vervalt
In de nieuwe wet (WWG) is de inschrijvingsplicht voor eigen vervoer niet meer opgenomen. Van eigen vervoer is sprake als vervoer voor eigen rekening wordt verricht en niet voor derden. De inschrijvingsplicht vloeit niet voort uit internationale regelgeving en heeft ook uit het oogpunt van handhaving geen toegevoegde waarde meer. De inschrijvingsplicht was in de oude wet opgenomen om bij controles eigen vervoer van beroepsvervoer te kunnen onderscheiden. Handhavers hebben daar nu andere methoden voor.
Mede aansprakelijkheid verlader
Via een amendement in de Tweede Kamer is in de nieuwe wet (WWG) de mede-aansprakelijkheid van de verlader opgenomen. De afzender wordt mede-aansprakelijk gesteld voor overbelading indien de afzender een rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de overtreding, doordat hij de vervoerder van onjuiste of onvolledige informatie heeft voorzien, of doordat de afzender bij het laden van het voertuig de aanwijzingen van de vervoerder niet heeft opgevolgd.
Sinds 1 mei 2009 is niet alleen de vervoerder strafrechtelijk aansprakelijk voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, maar ook degene die beroepsvervoer doet verrichten in strijd met de beladingsvoorschriften. In artikel 2.6 lid 2 WWG lijkt het ‘doen verrichten van overbelading’dezelfde betekenis te hebben als het doen plegen van overbelading ex artikel 47 Sr, waarbij de feitelijke uitvoerder straffeloos is. Uit jurisprudentie en literatuur blijkt echter dat als de delictsomschrijving de terminologie ‘doen….’ bevat, niet wordt gedoeld op de deelnemingsvorm ‘doen plegen’.Dit betekent dat zowel de vervoerder als degene die beroepsvervoer doet verrichten naast elkaar strafrechtelijk kan worden aangesproken.
Vervolging ter zake van doen plegen, uitlokken of medeplegen van overbelading blijft mogelijk, maar bewijstechnisch is het eenvoudiger om te transigeren/vervolgen op basis van artikel 2.6 lid 2 WWG omdat dat artikel geen opzet vereist. De deelnemingsvorm ‘doen plegen’ ex artikel 47 Sr vereist wel een opzet op het doen plegen, dat gericht is op het handelen van de feitelijke uitvoerder. Er moet dus sprake zijn van zogenaamd kleurloos opzet. Daarnaast is de feitelijke uitvoerder niet strafbaar. Het ‘doen verrichten van beroepsvervoer in strijd met de beladingsvoorschriften’ is dus eenvoudiger te bewijzen dan de deelnemingsvorm ‘doen plegen’, omdat niet bewezen hoeft te worden dat het opzet is gericht op de gedraging van de feitelijke uitvoerder.
Op grond van de WWG kunnen ook anderen dan de vervoerder verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van de beladingsvoorschriften. In artikel 2.6 lid 2 van de WWG staat dat het doen verrichten van beroepsvervoer in strijd met de beladingsvoorschriften is verboden . Onder doen verrichten van beroepsvervoer wordt verstaan het direct of indirect betrokken zijn bij de totstandkoming van de vervoersovereenkomst. Dit is veelal de afzender, verlader en/of de expediteur.
Als er aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat een derde medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, moet het opsporingsonderzoek niet alleen op de vervoerder, maar ook op die derde worden gericht. Deze aanknopingspunten kunnen tijdens het verhoor van de chauffeur/vervoerder aan het licht komen. In ieder geval kan een derde medeverantwoordelijk worden gehouden voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, als de derde laakbaar heeft gehandeld doordat hij o.a:
- de vervoerder van onjuiste of onvolledige informatie heeft voorzien;
- de aanwijzingen van de vervoerder niet heeft opgevolgd.
Wet Wegvervoer Goederen Artikel 1.2
Lid 3. een natuurlijk persoon die goederen vervoert met een communautaire vergunning van een derde of met een vergunning als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van een derde, verricht beroepsvervoer indien hij de vrachtauto waarmee de goederen worden vervoerd in eigendom heeft of de vrachtauto hem anderszins tegen vergoeding ter beschikking is gesteld.
Hier verwijst de wet naar de ZZP-er die de auto gebruikt van een opdrachtgever of uit het vermogen van een vennootschap. Het misbruik van ZZP-constructie om onder de vergunningplicht uit te komen, kan met het voorgestelde artikel 1.2, derde lid, worden aangepakt. een voorbeeld hiervan is het oneigenlijk gebruik van “administratiekantoren” waarbij een aantal ZZP-ers onder dezelfde communautaire vergunning van een administratiekantoor opereren, aan te pakken. Het betreft hier schijnconstructies waarbij een aantal ZZP-ers gebruik maken van een administratiekantoor om niet zelf te hoeven voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid. een aantal ZZP-ers die een vennootschap onder firma of een maatschap vormen dienen de vrachtauto’s in het gemeenschappelijk ondernemingsvermogen in te brengen om onder vergunning van de vennootschap onder firma of van de maatschap beroepsvervoer te kunnen verrichten. Dit is extreem gevaarlijk!
Wet Wegvervoer Goederen Artikel 2.7
1.Het is de houder van een communautaire vergunning of van een vergunning als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verboden om een gewaarmerkte kopie van die vergunning al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen aan een derde ten behoeve van het verrichten van beroepsvervoer.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een vergunning een gewaarmerkte kopie van die vergunning ter beschikking is gesteld.
Dit behoeft weinig toelichting, zowel de “uitlener” als de “inlener” van de vergunning zitten fout.
Wet Wegvervoer Goederen Artikel 2.11
Lid 1.Het is een vervoerder verboden vervoer te verrichten met gebruikmaking van bestuurders van
vrachtauto’s die niet bij hem in dienstbetrekking zijn.
Lid 6.Door overtreding van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt niet langer voldaan aan de eis
van betrouwbaarheid.
Let vooral op lid 6 van dit artikel. Dit is vooral belangrijk voor de opdrachtgever van een zzp-er. Het verliezen van de betrouwbaarheid houdt in dat je niet meer voldoet aan de eis van betrouwbaarheid, wat dan weer betekent dat je geen recht meer hebt op de vergunning.
